Atelier de la Charité 

landelijk logeren

Johnny Hallyday (2)

Tup, die ’s ochtends gewekt wordt door de wekkerradio, zei vorige week aan het ontbijt: Johnny is dood. Oh jee, dachten we meteen, dan hoeven we komende week geen televisie meer te kijken of radio te luisteren. Dagenlang worden we bedolven onder optredens, interviews documentaires en rouwbetuigingen van bekende en onbekende Fransen. Johnny is in Frankrijk namelijk de grootste rockster allertijden en nu al een legende.

Voor Nederlanders is hij een fenomeen wat een beetje aan ons voorbij is gegaan. Wij kennen Franse chansonniers zoals Charles Aznavour, Gilbert Bécaud en Julien Clerc. Maar Johnny Hallyday, oftwel Jean-Philippe Smet, is hier bijna zestig jaar immens populair geweest. Begonnen op zijn 16e als Elvis kloon en op zijn 74e geëindigd met een eigen stijl. Een beetje kitsch, heel erg rock ‘n roll en voetbalstadia vol fans. Een combi van Hazes en Brood, maar dan nog groter.

Groot genoeg om als symbool te worden vergeleken met de Eiffeltoren. Groot genoeg om tijdens de afscheidsdienst op de aanwezigheid van de president en zijn voorgangers te kunnen rekenen. Groot genoeg ook om tijdens de rouwstoet in Parijs te worden begeleid door 700 bikers en 1500 politieagenten. Gekkenhuis. Alsof de koning werd begraven.

Gisteren hebben we voor de tweede keer deze week de Paris Match ontvangen, beide nummers geheel gewijd aan leven en dood van Johnny. Er is geen ontkomen aan, ik ga toch kijken, lezen, luisteren en meeleven. Geen fan, niet Frans en toch een beetje meegezogen in de hysterie.